
Blad
| jan | feb | mrt | apr | mei | jun | jul | aug | sep | okt | nov | dec | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bloei | ||||||||||||
| Zadenweek 18–22 |
De fladderiep is een inheemse iepensoort die pas in de jaren 1980 in Nederland (her)ontdekt werd en die zich van de twee andere inheemse iepen (gladde iep en ruwe iep) onderscheidt door zijn voorkeur voor natte voeten, zijn karakteristiek hangende bloemtrosjes (de "fladderende" rode klokjes in maart) en zijn opvallend lange bladstelen. Wat hem voor een voedselbos uniek maakt is dat hij vrijwel ontsnapt aan de iepziekte omdat de iepenspintkever de boom mijdt en daarbij een uitstekende paardenvoerboom is omdat paarden de bladeren over een zeer lange periode lusten. Voor menselijke consumptie zijn vooral de jonge zaden in mei eetbaar (in Oost-Azië gegeten als "yu qian"), als ook de zeer jonge lentebladeren bereid (na koken) in soep of als groente.
Fladderiep
Ulmus laevis
European White Elm
- Grondsoort
- Klei, zavel, leem
- Licht
- Volle zon tot halfschaduw
- Vocht
- Hoog
- Winterhardheid
- -20°C of lager
- Breedte
- 15 - 20 meter
- Hoogte
- 25 - 40 meter
- Zelfbestuiving
- Kruisbestuiving noodzakelijk
- Herkomst
- Inheems
- Eetbare delen
- Jonge zaden, jonge bladeren (na koken)
- Bijzonderheden
- Bijen- en vlinderplant, eetbaar voor paarden
